Ontwerp van programmawet neergelegd in de Kamer!
Recent werd het ontwerp van programmawet neergelegd in de Kamer. Deze bevat een reeks van maatregelen die reeds eerder werden aangekondigd in het Federaal Regeerakkoord en in de diverse bijkomende akkoorden.
Zo wordt onder meer voorzien in de invoering van de zogenaamde ‘centenindex’, talrijke wijzigingen aan de bestaande doelgroepverminderingen en de introductie van ‘check in and out voor werken in onroerende staat’.
Lees verder en ontdek de hoofdlijnen.
Beperking van de forfaitaire kostenaftrek op inkomsten uit auteursrechten
Auteursrechten kunnen onder bepaalde voorwaarden een fiscaal voordelige vorm van verloning vormen.
Wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, wordt op het netto-inkomen uit auteursvergoedingen een tarief van 15% roerende voorheffing toegepast.
Onder het netto-inkomen begrijpen we het bruto-inkomen (vóór afhouding van de roerende voorheffing) verminderd met:
- de RSZ-bijdragen;
- EN de werkelijke bewezen beroepskosten ofwel een wettelijk degressief kostenforfait.
De forfaitaire kostenaftrek wordt per belastingplichtige en per aanslag jaar slechts éénmaal toegepast op het geheel van die roerende inkomsten.
Vanaf 1 januari 2026 wordt de toepassing van de degressieve forfaitaire kostenaftrek , berekend volgens bepaalde inkomensschijven, en de forfaitaire kostenaftrek van 15% voor auteursrechten, beperkt tot inkomsten uit auteursrechten die betrekking hebben op activiteiten waarvoor de belastingplichtige op het ogenblik dat de inkomsten zijn betaald of toegekend over een kunstwerkersattest ‘plus’ of een gewoon kunstwerkersattest beschikt.
Kunstenaars die enkel beschikken over een zogenaamd ‘startersattest’ komen daardoor niet meer in aanmerking voor de forfaitaire kostenaftrek. Ze behouden evenwel de mogelijkheid hun werkelijke beroepskosten te bewijzen en in mindering te brengen van hun bruto-inkomen uit auteursrechten.
Bovenvermelde maatregel geldt voor inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2026. Let wel: wat de inhoudingen van de roerende voorheffing betreft, zijn bovenvermelde wijzigingen pas van toepassing op de inkomsten betaald of toegekend vanaf de tiende dag na bekendmaking van deze programmawet in het Belgisch Staatsblad.
Algemene matiging van verschillende stelsels vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing via correctiefactor
Door toepassing te maken van de maatregel van een gedeeltelijke vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing voorheffing, kan een werkgever zijn loonkost aanzienlijk beperken.
Concreet houdt deze maatregel in dat de werkgever een deel van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op het loon van de werknemers, niet moet doorstorten aan de fiscus.
Uit een rapport van het Monitoringscomité blijkt dat de fiscale uitgaven als gevolg van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing naar verwachting zouden toenemen met 8,36% in de periode van 2025 tot 2030.
Om de budgettaire houdbaarheid van de uiteenlopende stelsels van gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing te vrijwaren zonder deze fundamenteel uit te hollen, wordt een algemene matiging ingevoerd. Deze matiging neemt de vorm aan van een correctiefactor die de totale fiscale kostprijs van de vrijstellingsstelsels beperkt.
Op die manier wil men de totale kostprijs van de diverse vrijstellingen gedurende een aantal opeenvolgende jaren bevriezen.
De correctiefactor bedraagt:
- 97% voor de bezoldigingen die worden betaald of toegekend tussen 1 januari 2027 en 31 december 2027;
- 93,35% voor de bezoldigingen die worden betaald of toegekend tussen 1 januari 2028 en 31 december 2028;
- 95,9% voor de bezoldigingen die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2029.
De Koning kan jaarlijks, bij een in Ministerraad overlegd besluit en ten laatste op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waar de correctiefactor betrekking op heeft en dat ten laatste op 31 december 2028 de hierboven vermelde percentages aanpassen in functie van de evolutie van de niet doorgestorte bedragen in de Schatkist ten opzichte van het kalenderjaar 2026.
Een KB kan bovendien nog nadere regels vastleggen hoe de werkgevers die één van deze vrijstellingen aanvragen waarop de correctiefactor van toepassing is, het bewijs moeten leveren dat de correctiefactor correct werd toegepast op het bedrag van de bedrijfsvoorheffing dat niet in de Schatkist moet worden gestort.
Loonmatiging door tijdelijke beperking van aanpassing van lonen overeenkomstig een indexeringsmechanisme
Het Begrotingsakkoord van november 2025 maakte gewag van een zogenaamde ‘centenindex’ op de lonen boven de mediaan. In het kader van deze maatregel zal de indexering van bepaalde ‘hogere’ lonen, pensioenen en bepaalde sociale uitkeringen tijdelijk beperkt worden.
Deze maatregel bestaat uit de volgende 3 onderdelen:
- De indexmatiging van bepaalde hogere lonen;
- De bijzondere loonmatigingsbijdrage;
- De geconsolideerde bijzondere loonmatigingsbijdrage.
a) De indexmatiging
Vanaf 1 juni 2026 zouden de wettelijke, reglementaire en statutaire bepalingen evenals de bedingen van de individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten en eenzijdige beslissingen, die de baremieke en reële basislonen koppelen aan een indexmechanisme, slechts uitwerking hebben ten belope van 2 % van het voltijds referteloon begrensd tot 4.000 EUR.
Een analoge werking vindt plaats vanaf 1 januari 2028.
De indexmatiging zal toegepast worden in 2 cycli.
Eerste cyclus vanaf 1 juni 2026
De eerste cyclus start op 1 juni 2026 tot op het ogenblik waarop het referteloon van de betrokken werknemer, zonder toepassing van de loonmatiging, door de optelling van de indexpercentages die sinds de aanvang van de matigingsperiode van toepassing zijn, zou zijn geïndexeerd tot een totaal van 2 %.
Tweede cyclus vanaf 1 januari 2028
Vanaf 1 januari 2028 start de tweede cyclus, tenzij op dat ogenblik de 2% van de eerste cyclus nog niet voor elke sector bereikt is. Deze tweede cyclus stopt op het ogenblik waarop het referteloon van de betrokken werknemer, zonder toepassing van de loonmatiging, door de optelling van de indexpercentages die sinds de aanvang van de matigingsperiode van toepassing zijn, zou zijn geïndexeerd tot een totaal van 2 %.
Hierbij zal het referteloon van 4.000 EUR geïndexeerd zijn volgens een vooropgesteld indexatiemechanisme.
Indien het reële cumulatieve indexpercentage hoger is dan 2%, wordt het volledige referteloon geïndexeerd ten belope van het verschil tussen dit reële indexpercentage en 2%.
Het referteloon van een persoon die onderworpen is aan de loonmatiging en die in dienst treedt na de aanvangsdatum van eerste of tweede cycli, wordt geacht de indexaanpassingen te hebben ondergaan vanaf de aanvangsdatum van de desbetreffende matigingsperiode.
Algemene bepalingen bij loonmatiging
Bij de toepassing van de loonmatiging, wordt enkel het geïndexeerd vast baremiek maandelijks basisloon of, in voorkomend geval, het geïndexeerd contractueel maandelijks basisloon uitgedrukt op voltijdse basis in aanmerking genomen, onafhankelijk van prestaties of uren.
Het referteloon wordt bepaald op basis van het geïndexeerd contractueel basisloon wanneer geen baremiek basisloon werd vastgesteld of wanneer het contractueel loon hoger is dan het baremiek basisloon.
Er wordt dus geen rekening gehouden met bijvoorbeeld overloon, maaltijdcheques, prestatiebonussen, eindejaarspremies, ecocheques, winstpremies en toeslagen voor nacht- of weekendarbeid,
Voor deeltijdse werknemers wordt het referteloon bepaald door het deeltijds loon overeenkomstig de tewerkstellingsbreuk om te rekenen naar een voltijdse basis.
Voor werknemers met een voltijds referteloon van minder dan 4.000 EUR verandert er niets. Hun loonindexering wordt volledig behouden.
Voorbeeld:
In januari 2027 wordt in PC 200 een indexering voorzien van 2,2%.
Een bediende met een referteloon (maandelijks voltijds) van 3.000 EUR ontvangt na indexatie een loon van 3.066 EUR, nl 3.000 EUR x 1,022. Deze werknemer valt niet onder het toepassingsgebied van de beperkte loonmatiging.
Een bediende met een referteloon (maandelijks voltijds) van 10.000 EUR ontvangt na deze indexatie 10.100 EUR.
Dit bekomt men door:
- het gedeelte van het referteloon tot 4.000 EUR beperkt te indexeren tot 2 procent: 4.000 EUR x 2 % = 80 EUR
- het volledige referteloon wordt geïndexeerd ten belope van het verschil tussen het reële cumulatieve indexeringspercentage en die 2 % (2,2 % - 2 % = 0,2 % ): 10.000 EUR x 0,2% = 20 EUR.
b) De bijzondere loonmatigingsbijdrage
De werkgevers en betalende derden zijn voor iedere maand in de eerste en de tweede matigingsperiode aan de RSZ, een bijzondere loonmatigingsbijdrage verschuldigd. Deze bijdrage wordt berekend op de lonen waarop de loonmatiging werd toegepast en bedraagt de helft van de opbrengst van de loonmatiging.
Deze bijzondere loonmatigingsbijdrage zal berekend worden in de volgende 2 cycli:
- Vanaf 1 juni 2026 berekening bijdrage tot wanneer 2% index voor alle sectoren bereikt is;
- Vanaf 1 januari 2028 berekening bijdrage tot wanneer 2% index voor alle sectoren bereikt is.
Deze bijzondere loonmatigingsbijdrage wordt berekend volgens een specifieke formule.
c) De geconsolideerde bijzondere loonmatigingsbijdrage
Ten slotte zal de RSZ nog een geconsolideerde bijzondere loonmatigingsbijdrage innen. Dit gebeurt in 2 fasen.
De voorlopige geconsolideerde loonmatigingsbijdrage is verschuldigd vanaf de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin het matigingseffect van de eerste cyclus werd bereikt voor alle lonen waarop een indexeringsmechanisme van toepassing is, zoals bepaald door de Koning in een MB.
De definitieve geconsolideerde loonmatigingsbijdrage is verschuldigd vanaf de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin het matigingseffect van de tweede cyclus werd bereikt voor alle lonen waarop een indexeringsmechanisme van toepassing is, zoals bepaald door de Koning in een MB.
Wijzigingen aan berekening van sociale werkbonus
De werkbonus garandeert de werknemers met een laag loon een hoger nettoloon door hen recht te geven op een vermindering van de RSZ-werknemersbijdragen.
Vanaf 1 januari 2028 zal de berekening van de sociale werkbonus worden aangepast.
Door het optrekken van de middelste en bovenste loongrens wordt de versterking van de sociale werkbonus gegarandeerd.
Deze wijzigingen zouden gelden vanaf 1 januari 2028.
Wijzigingen RSZ-vermindering eerste aanwervingen
Het toekennen van de federale RSZ-verminderingen eerste aanwervingen heeft tot doel werkgevers te stimuleren om (nieuwe) werknemers in dienst te nemen.
Na meerdere aanpassingen in de afgelopen jaren, voorziet het Federaal Regeerakkoord 2025-2029 opnieuw in een grondige hervorming van deze maatregel.
Vanaf 1 april 2026 wordt de doelgroepvermindering eerste aanwervingen opnieuw uitgebreid naar vijf werknemers.
Daarnaast wordt het maximaal bedrag van de vermindering voor de aanwerving van een eerste werknemer beperkt tot 2.000 EUR.
Een ministerieel besluit kan een overgangsregeling vastleggen voor de toepassing van de doelgroepvermindering met betrekking tot de aanwerving van een eerste, tweede en/of derde werknemer, indien deze zijn aangevat vóór 1 april 2026.
Stopzetting doelgroepvermindering collectieve arbeidsduurvermindering en vierdagenweek
Een werkgever die een collectieve arbeidsduurvermindering invoert voor het volledig personeelsbestand of voor (een) bepaalde categorie(ën) van werknemers kan momenteel onder bepaalde voorwaarden een doelgroepvermindering voor collectieve arbeidsduurvermindering genieten.
Daarnaast kan een werkgever die een vierdagenweek invoert onder bepaalde voorwaarden genieten van een doelgroepvermindering vierdagenweek.
Een volledige bespreking van deze maatregelen vind je hier terug.
Vanaf 1 april 2026 worden de doelgroepvermindering collectieve arbeidsduurvermindering en vierdagenweek afgeschaft.
Let wel: werkgevers die stelsels van arbeidsduurvermindering en/of vierdagenweek ingevoerd hebben vóór 1 april 2026, behouden het recht om de doelgroepvermindering collectieve arbeidsduurvermindering en vierdagenweek toe te passen volgens de regels die van kracht waren op 31 maart 2026, voor de resterende looptijd. Tijdens deze overgangsperiode kan men geen toepassing maken van de regelgeving m.b.t. de verderzetting van een RSZ-vermindering.
Uitsluiting betaalde sportbeoefenaar van vrijstelling van socialezekerheidsbijdragen boven RSZ-loonplafond
Sinds 1 juli 2025 zijn de patronale socialezekerheidsbijdragen op hoge lonen beperkt. Boven een bepaald kwartaalplafond is de werkgever geen RSZ-basisbijdragen meer verschuldigd. Vanaf 1 januari 2026 bedraagt deze loongrens 86.700 EUR/kwartaal.
Deze grens is gekoppeld aan een specifiek indexmechanisme.
Betaalde sportbeoefenaars die het loonplafond overschrijden, kunnen momenteel gebruik maken van deze maatregel, terwijl de werkgevers van deze sporters reeds recht hebben op de bijzondere vermindering van sociale zekerheidsbijdragen voor betaalde sportbeoefenaars.
Om dit dubbel voordeel te vermijden worden vanaf 1 april 2026 betaalde sportbeoefenaars of beroepswielrenners tewerkgesteld door de werkgevers cf. artikel 353bis/16 van de programmawet (I) van 24 december 2022 uitgesloten uit het toepassingsgebied van deze maatregel.
Mogelijk verlies van voordeel van RSZ-bijdrageverminderingen bij bepaalde opzettelijk gepleegde inbreuken
Een werkgever die bepaalde personeelsleden die hij tewerkstelde niet spontaan aangaf bij de RSZ, moet deze vrijwillig of ambtshalve alsnog aangeven. Bij deze aangifte kan hij momenteel steeds gebruik maken van de klassieke bijdrageverminderingen.
Vanaf 1 april 2026 kan, als bijkomende straf, het recht op de bijdragevermindering onthouden worden aan de werkgever die een opzettelijke inbreuk heeft op het vlak van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (zoals bestraft door de artikelen 181 en 181/1, 232, 234 en 235 van het Sociaal Strafwetboek) voor de betrokken werknemers en de kwartalen waarin voor deze werknemers de inbreuk werd vastgesteld.
Concreet gaat het om, het mogelijks verlies van de toepassing van:
-
- de structurele vermindering;
- de doelgroepvermindering voor eerste aanwervingen;
- de collectieve arbeidsduurvermindering en vierdagenweek;
- de doelgroepvermindering voor vaste voltijdse werknemers in de horeca;
- de doelgroepvermindering voor betaalde sportbeoefenaars;
- vrijstelling van werkgeversbijdragen boven loonplafond.
De RSZ zal in een dergelijke situatie het ontnomen voordeel moeten innen ten laste van de veroordeelde werkgever.
Vaststelling van minimale pensioenbijdrage voor de na 31 mei 2026 benoemde statutaire personeelsleden
Het Federaal regeerakkoord 2025-2029 bepaalde dat voor elke nieuwe benoeming van een statutaire ambtenaar de bijdrage voor het rustpensioen voortaan de kostprijs ervan moet dekken.
Hierbij wordt een werkgeversbijdrage van 9,5% voorzien die progressief zal toenemen tot zij 38% bedraagt in 2029 op bepaalde nieuwe benoemingen van statutaire personeelsleden die na 31 mei 2026 worden verleend.
Invoeren ‘Check in and out voor werken in onroerende staat’
In de strijd tegen sociale en fiscale fraude worden er diverse maatregelen voorzien. Zo vinden onder meer flitscontroles in bepaalde sectoren op geregelde tijdstippen plaats en bestaat er in bepaalde gevallen een verplichte aanwezigheidsregistratie.
Afschaffen mogelijkheid voorafgaande registratie van aanwezigheid van werknemers bij werken in onroerende staat
Op een datum die nog bij koninklijk besluit zal worden vastgelegd en, uiterlijk op 1 januari 2027, kunnen werkgevers de aanwezigheid van hun werknemers niet langer vooraf en vanop afstand registreren.
De registratie zal in de toekomst in real time moeten gebeuren, door de betrokkene zelf, op de bouwplaatsen en telkens bij het begin en einde van de activiteit.
De werknemer is zelf verantwoordelijk voor de registratie van zijn aanwezigheid op de arbeidsplaats. De registratie moet persoonlijk worden uitgevoerd.
Deze registratie kan o.a. gebeuren via:
- een badgesysteem waarvoor de aannemer - werkgever een badge ter beschikking stelt aan zijn werknemer of de zelfstandige die in zijn opdracht de arbeidsplaats betreedt;
- een QR-code.
De (onder)aannemer moet de nodige maatregelen nemen zodat elke persoon die in zijn opdracht de arbeidsplaats betreedt en verlaat zich effectief kan registreren. De werkgever is evenwel niet verplicht een smartphone ter beschikking stellen van zijn werknemers om registraties mogelijk te maken.
Zodra werkgever aan zijn verplichtingen heeft voldaan, kan hij niet verantwoordelijk gesteld worden voor vergetelheden, fouten, of weigering van de werknemer om zich te registreren
De aanduiding van de actoren verantwoordelijk voor de levering, de plaatsing en de goede werking van het registratieapparaat op de bouwplaats blijft onveranderd.
Invoeren ‘Check in and out at Work’ voor werken in onroerende staat
Op een datum die nog bij koninklijk besluit zal worden vastgelegd en, uiterlijk op 1 januari 2027 moet zowel het tijdstip van aankomst en van vertrek op een tijdelijke of mobiele bouwplaats geregistreerd worden.
De voorwaarden die momenteel gelden blijven behouden.
Door de invoering van de UIT-registratie in de bouw in combinatie met de afschaffing van de voorafgaande registratiemogelijkheid tracht men de strijd tegen de sociale fraude en oneerlijke concurrentie te optimaliseren en een verbeterde veiligheid op de werkplek te creëren.
Let wel: bovenvermelde is gebaseerd op ontwerpwetgeving en bijgevolg nog aan wijzigingen onderhevig.
Bron:
- Ontwerp van programmawet van 23 februari 2026 (DOC 56 1378/001).
Dit bericht delen: